Reisverslag op rijm uit 1783

In 1783 maakt mijn voorvader IJe Symens met zijn neef Hepke Egberts een reis van twee weken langs een aantal Hollandse steden. De laatste maakt hiervan een verslag op rijm, dat voor zover bekend alleen is overgeleverd via een afschrift dat een zoon later heeft gemaakt. De reizigers komen beide uit vooraanstaande boerenfamilies. IJe Symens (later Luimstra) woont in Surhuisterveen aan de huidige Blauwhuisterweg. Hepke Egberts (later Buma) woont op de boerderij Buwetille onder Surhuizum.

Tot nu toe kende ik het reisverslag alleen in de vorm van een aantal fragmenten, opgenomen in een artikel uit het Nieuwsblad van Noordoost-Friesland. Dankzij de website dekrantvantoen.nl vond ik in maart 2012 een serie artikelen uit De Feanster met de volledige tekst. Helaas is één daarvan blijkbaar niet goed gescand. Het ontbrekende deel heb ik daarom aangevuld op basis van het eerstgenoemde artikel. Op basis van het reisverslag heb ik een reisschema opgesteld. Dat wordt hier eerst weergegeven.

 

Reisschema

Datum Aankomst/vertrek Reistijd (voor zover genoemd)
Woensdag 30 april (Avond)
(V) Buwetille
(A) Schuilenburg
 
Donderdag 1 mei

0:00 (V) Schuilenburg
10:00 (A) Lemmer
20:00 (V) Lemmer

Pakschuit Schuilenburg-Lemmer: 10 uur.

Vrijdag 2 mei 8:00 (A) Amsterdam Veerschip Lemmer-Amsterdam: 12 uur.
Zaterdag 3 mei (Amsterdam)  
Zondag 4 mei (Amsterdam)  
Maandag 5 mei (Amsterdam)  
Dinsdag 6 mei

(V) Amsterdam
(A) Haarlem
(V) Haarlem
(A) Aalsmeer

 
Woensdag 7 mei 3:00 (V) Aalsmeer
(A) Leiden
10:30 (V) Leiden
15:00 (A) Den Haag
Jachtschuit Leiden-Den Haag: 4,5 uur.
Donderdag 8 mei

(B) Scheveningen
(V) Den Haag
15:00 (A) Delft
16:00 (V) Delft
(A) Rotterdam

 
Vrijdag 9 mei 6:00 (V) Rotterdam
10:00 (A) Gouda
11:00 (V) Gouda
(A) Tolhuis (bij Bilderdam)
(V) Tolhuis (bij Bilderdam)
(A) Aalsmeer
Postwagen Rotterdam-Gouda: 4 uur.
Zaterdag 10 mei (Aalsmeer)  
Zondag 11 mei (Aalsmeer)  
Maandag 12 mei 2:00 (V) Aalsmeer
7:00 (A) Amsterdam
(B) Zaandam/Zaandijk
20:00 (V) Amsterdam
Beurtschip Aalsmeer-Amsterdam: 5 uur.
Dinsdag 13 mei 22:00 (A) Lemmer Veerschip Amsterdam-Lemmer: 26 uur.
Woensdag 14 mei 0:00 (V) Lemmer
(A) Kootstertille
18:00 (A) Rodeschuur
 

(V) vertrek
(A) aankomst
(B) bezoek

Veel plekken die bezocht werden zijn nu nog goed op de kaart aan te wijzen, bijvoorbeeld omdat het nu nog steeds bezienswaardigheden zijn. Soms hebben ze inmiddels een andere naam gekregen, zoals de Halsteeg (Damstraat) en de Botermarkt (Rembrandtplein). Bij sterk verbasterde namen kostte het wat meer moeite om de locatie te vinden (Bilham/Bilderdam). Slechts enkele plekken heb ik nog niet gevonden, zoals de Mosselsteeg en de Luizekerk in Amsterdam.

 

Reisverslag op rijm

 


Een gedigt ofte verhaal

Van een pleisierige reis van twee jongelingen na Holland gedaan zijnde de eene een zoon van Sijmen IJjes, woonachtig te Sr:veen, oud in het 23ste jaar en de andere een zoon van Egbert Hepkes, woonachtig bij Bouwetille ondert beheer van Surhuisum, oud in het 22ste jaar gedaan in den jare 1783.

Wanneer men in het woud
Met aandacht gaat bemerken,
Dan ziet men overal
Gods goedheid in zijn werken.

Wanneer men eens beschout
Hoe alles wast en groeit,
Dan ziet men dat Gods
Ten vollen overvloeit.

Of zoo men elders reist
Door plaatzen ende steden,
Wat vindt men hier en daar
Al veele kostbaarheden.

In Vriesland vindt men veel
Paleizen en lusthooven,
Maar zoo ons wierd verhaald
Gaat Holland nog te booven.

Terwijl dat zulk gerugt
Ons dikwijls kwam ter ooren,
Zoo wierd daardoor een lust
Een lust in ons geboren.

Ons jeugdig hert dat wierd
Daartoe wel haast bewogen.
Om Hollands overvloed
Te zien met eigen oogen.

Want dikwijls hoort men veel
Al van een vreemd gewest.
Maar ’t geen men zelf beschout
Dat weet men alder best

En daar door wiert besluit
Van ons daar op genomen
En wij zijn daar na haast
Al op de reis gekomen.

En zijn de laatste April
Des avonds met de wagen
Na Schuilenborg gebragt
Dat was met ons behagen.

Daar bleven wij zoo lang
En hebben daar gewagt
Tot dat de Pakschuit kwam
Toen was het middernagt

Daar zijn wij ingegaan
En voeren daar vandaan
Al met een goede wind
Al op de Lemmer aan.

Voorbij Bergum en Grou
Door Slooten en Woudsend
En andere plaatsen meer
Die leggen daar omtrent.

En kwamen om tien uur
Al op de Lemmer aan
Wij hebben daar die daags
Dat dorp eens door gegaan.

Des avonds om acht uur
Toen was de veerman ree
En ging de haven uit
Daar voeren wij toen mee.

Over de Zuiderzee
Na Amsterdam de stad
Wij hebben gunstig weer
En voor de wind gehad

Wij waren wel gezond
Dat was met ons behagen,
Wij voelden geen verdriet
Wij hoefden niet te klagen.

Wij gingen op de kooi
En sliepen daar gerust
Tot aan de morgen toe
Doe ons geen slaap meer lust

Wij gingen op het schip,
Als het begon te dagen.
Wij kwamen op het tij
En sagen met behagen

Aldaar een groot getal
Van schepen groot en klein,
De oorlogschepen zelfs
Die lagen om ons heen.

De Oostijnze schepen groot
Die lagen op de baren.
Men zag een groot getal
Die met drie masten waren

De koffen lagen daar
En smakken overal
Zoo door malkander heen
Ontelbaar in getal.

En de Keulvaarders ook
En wat zag men ten lesten
Nog al een groot getal
Van ver en vreemd gewesten.

Daar voeren wij door heen
Zoo lang tot dat men kwam
Al bij de Mosselsteeg
Dat was te Amsterdam.

Des morgens om acht uur
Toen kwamen wij daar aan.
Wij gingen uit het schip
En trokken daar vandaan

Al verder in de stad
En gingen op de straat,
Die bij het water langs
En na den Dam toe gaat.

De oud en nieuwen brug
En Papenbrug voorbij
En ook de Koorenbeurs
En die bezagen wij.

En nog al verder voort
Tot digte aan den Dam.
Al waar dat men toen bij
De Sneker kelder kwam.

Toen vraagden wij of men
Logeeren konde daar,
Het zij een nacht drie vier,
Zoo lang als het dan waar.

De vrouw die sprak: jawel!
Het waar een oudig mens.
Wij zijn daar in gegaan.
Doch waren niet van zens,

Om lang daar stil te zijn.
Wij gaven haar wat goed.
Dat zij bewaren moest.
Dewijl men hadde spoed.

Om door de stad te gaan.
Gelijk wij daadlijk deeden
En zijn de nieuwe dijk
Te zamen langs getreeden.

En toen langs de halsteeg
Daar woonden abadant
Schoenmakers huis aan huis.
Die straat aan ieder kant.

En daar ging men van daar
Na de achterburgs wal
Toen naat Oostijnze huis
En toen nog verder al.

Na ‘t groote Trippen huis
Het welk ons wonder scheen.
Het is geheel gebouwd
Al van Halbastersteen.

En de Kalwierburgswal
Zijn wij toen langs gegaan
Tot aan de nieuwe merk.
Daar zagen wij eens aan.

Wat daar al was te koop
Van allerhande dingen.
Wij dagten bij ons zelfs
Waar zal men ‘t oog hier bringen?

Daar stond toen ook een vrouw
Die bakte op de straat
De pannekoeken daar.
Die smaakten dillekaat.

Wij hebben ook met lust
Een pond daar van ge eeten.
Met dikke stroop daar op
Zoo veel dat ongeweeten.

Van daar zijn wij gegaan
Al na de boter merk
Wij zagen ook al haast
De handel ging daar sterk

En nog die zelve daags
Toen hebben wij bezien
‘t Verbandhuis van die stad.
Daar zagen wij de lien,

Die lagen daar gewond.
De mansperzonen al
Die waren acht maal acht
Te zamen in ‘t getal.

En veertig vrouwsperzoons.
Die hadden daar zij leiden
Een kamer weer apart,
Van de andere afgescheiden.

En daarna hebben wij
Het ziekenhuis nog bekeeken.
Daar was’t op een manier.
Gelijk ons is gebleeken.

De zieke al te maal
Die men daar kwam beschouwen,
‘t Zijn twee en dertig mans
En dertig zieke vrouwen.

Die lijders al te zaam.
Zoo als het ons toescheen.
Die werden daar bediend
Zoo schoon dat ongemeen.

Haar ledikanten ook
Die waren wel ontdaan.
De order die daar was.
Die stond ons heel wel aan.

Toen men dat had bezien.
Doe gingen wij van daar
Te zamen door de stad
En zeiden tot malkaar:

Het wordt nu ook zoo laat.
De donkerheid komt aan.
’t Is best dat wij nu maar
Na ons ketier toe gaan.

Wij zijn de ander daags
Weer door de stad getreeden
En zagen hier en daar
Al veele vraaijigheeden.

Wij gingen met malkaar
De Luizekerk voorbij
En de munttooren ook
En daar van daan zijn wij

Al langs de Kalverstraat
Gegaan tot dat men kwam
Bij het vermaard stadhuis.
Dat staat al op den dam.

Dat zagen wij eens aan.
De muurren daar om heen.
Die zijn geheel en al
Gebouwd van Marmersteen

Wij gingen daar om heen
En zeiden tot malkaar
Men wou ook eens bezien,
Hoe het van binnen waar.

Wij kwamen aan de zaal
En zijn daar ingetreeden
Wij zagen anders niet
Als alle seltzaamheeden

Van grootheid ende pragt;
Waar men de oogen went.
’t Is overal verzien
En konstig afgeprent.

Men zag in ’t hemelsplein
De zonne en de maan.
De sterren groot en klein
Daar uitgehouwen staan.

En boven het verwurf
Is ‘t konstig afgedaan.
Zoo sierlijk dat men daar
Moet bij verwonderd staan.

Driemaal is ’t overwurft
En alles is zeer net
Van binnen het gebouw
Met pilaars opgezet.

De breedte van ’t gebouw
Zo men die tellen moet.
Bestaat ui[t] tweehonderd
En twee en tachtig voet.

De diepte van het huis.
Zoo ver die strekt geheel.
Dat is op veertig voet
En zeven na zooveel.

De trappen die men teld
Als men naar boven zal.
Zijn honderd negentig
Te zamen in ‘t getal.

Wij hebben ook bezien
De wapenzaal zeer groot.
Daar de harnassen staan
Al van de Spaanze vloot.

En wat een groot getal
Snaphanen ziet men daar.
Men zegt daar staan wel meer
Dan tachtig duizend klaar.

Die staan daar glad en schoon
Men vind daar nog veel meer
Van pieken, degens en
Veel ander Krijgsgeweer.

Wij hebben ook beschoud
Het klokkenspel vermaat.
‘t Is wonder als het speelt,
Hoe ‘t in zijn order gaat.

De speeltoon daar zij mee
De nooten speelen laten,
Die heeft tweehonderd meer
Als zeven duizend gaten.

Dat heerlijk werk geheet.
Zoo men het daar bevond.
Dat woog tezamen acht
En twintig duizend pond.

De kostlijkheid zeer groot
En konstigheid bizonder.
Die geeft met recht dit huis
De naam van wereldwonder.

Wij hebben het beschoud
En zijn toen daar van daan
Te zamen langs de straat
De stad wat deur gegaan.

Toen vraagden wij een man.
Of hij ’t konde wijzen
Al waar de kerke was.
Al van de Portegijzen.

De man beduidet ons.
Wij zijn daar heen gegaan
En heb daar veel gehoort
Maar weinig van verstaan.

Haar leeren dat zij deeden.
Dat konden wij niet vatten.
Daar zwijg ik maar van stil
En wil daar niet van spatten.

Maar ‘t geen wij heb bezien,
Daar zal ik wat van melden.
De kerk was sierlijk mooi,
Men vindt het zoo maar zelden.

De koperen kandelaars
Die hingen daar zeer groot
En blonken ongemeen
Van veelderhande zoort.

De keerssen staken zij
Al op de kandlaars aan.
Daar konden wierd gezeid.
Acht hondard keerssen staan.

Die lichten daar zeer veel
Dat gaf een groote sier.
Wij gingen daar van daan
En zogten ons ketier.

Wij zijn de ander daags
Des morgens met malkaar
Na de vermaning gaan.
Dewijl het zondag waar.

En hoorden met ootmoed
Gods woord opregt verklaren.
De leeraar smeekte God
Om zondaars te herbaren.

Daar was ook in dit huis
Een orgel sierlijk schoon.
Zij speelden tot Gods eer
Een aangenamen toon.

Wij bleven daar zoo lang
Als ’t alles was gedaan
En na de middags toen
Zijn wij te zaam gegaan.

Al na de nieuwe kerk
Die groot en kostlijk waar.
Hij was toen ook voorzien
Al van een groote klaar.

Daar was zeer veele volk.
Het liep daar af en aan.
Men kon de predikant
Niet al te wel verstaan

Daar was zeer veel gedruis
En ook de wederklank
Deed ons daartoe veel kwaad
Wij bleven tog zoo lang.

Dat zij tot een besluit
Van haar gehouden leer
Psalmen zongen daar
En speelden tot Gods eer

Ook op het orgel schoon
Tot stigting zeer bekwaam
Dat maakt een melodie
Zeer zoet en aangenaam.

Wij kwamen uit de kerk
Al op de dam gegaan
En zagen voor’t stadhuis
Zeer veel sleepkoetzen staan.

Die hadden daar gebragt
Wel vier en dertig paar
Van Bruidegoms en Bruids
Die trouwden toen aldaar.

Die Sondags in’t stadhuis.
Zij kwamen daar vandaan
En zijn toen man en vrouw
Weer in een koets gegaan.

Daar zaten zij zeer mooi.
De voerlui bragten haar
Heel staat lijk door de stad
Elk daar zijn wooning had.

Wij zijn ook nog die daags
Naar ‘t doolhof toe gagaan
En zagen met vermaak
De wonderen daar aan.

Daar stond Reus Goliat,
Gelijk een wreede vorst
En de reusinne zat
Een kind lag aan haar borst.

En David stond daar klein
En needrig van gedrag
En deede een bewijs
Al van een slingerslag.

De groote Reus verschrikt
En draait zijn hooft in ‘t rond.
De Reusinne met haar kind
Be weegden haar terstond.

Wij zagen Salomon
Daar op zijn throon verheven.
Den septer in zijn hand.
Dat deed zijn dienaars beven.

Toen kwam de Koningin
Van Scheba met haar magen
Om Salomon zijn throon
Te zien met groot behagen.

Zij buigde voor hem neer
Zij sprak: uw heerlijkheid
En ook uw wijs regeer
Waar mij nooit half gezeid.

Men zag nog ook zeer veel
Der oude potentaten.
Die op een hoog toneel
Daar op de riegel zaten

En waren levenswijs
Van grootens en van dragt,
Heel konstig afgemaakt
En daar ten toon gebragt.

Zij roerden altemaal
Haar leeden heen en weeder.
Veel boogen met haar hoofd
En stonden op en neder.

Toen men dat had bezien.
Toen kwam men op een plein
Daar zag men met vermaak
Het sprinken der fontein.

Het water sprong zeer hoog.
Op veelderlei manieren
Nu alle kanten uit.
Zoo zij het wilden stieren.

Het sprong dan hier dan daar
Ook uit de slechte grond.
Daar stond nog OOK een man.
Die spoog uit zijn mond.

En dat nog niet alleen:
Hij spoog uit neus en oogen
Zoo ver dat meenig mensch
Wierd onverwagt bespoogen.

Daar wierd dan om gelagt
En toen dat was gedaan.
Zijn wij te zaam al na
De nieuw stadsherberg gaan.

Daar was zeer veele volk.
Men zag daar veel plaizier.
We gingen daar van daan
En toen na ons ketier.

We zijn de ander daags
Te zamen eens gewandeld
Al op de Noordemerk.
Daar wierd zeer veel gehandeld

Daar was zeer veel geroep.
Daar was zeer veel geloop.
Daar was zeer veel te zien.
Daar was zeer veel te koop.

Daar was zeer veel gesleep.
Daar was zeer veel gekrui.
Daar was zeer veel te doen
Met allerhande lui.

Wij zagen wonderlijk
Versteld hoe het daar gaat.
Met regt is Amsterdam
Een koopstad heel vermaat

Des avonds wierd gespeeld,
In den schouwburg aldaar.
Het spel Jakobija
Van beijeren voorwaar.

Daar zijn wij heen geweest
En zagen met ons oogen
Een wonderlijk vernuft
In ‘t menschelijk vermoogen.

Eerst in het zwaar gezugt
Van droevig treurtoneelen
En naderhand de vreugd.
Die zij daar kwamen speelen.

Zij speelden daar zeer veel
Op basfiool en fluit.
Dat maakte wonderschoon
Een overgroot geluit.

Het danzen zagen wij
Zeer kunstig van de lien.
Zij spronggen daar zoo hoog.
Wij hadden ‘t nooit zoo zien.

Al haar vertooningen
Waar wonder die zij deeden.
Zij spraken altemaal
Gerijmd in al haar reeden.

Het duurde wel drie uur.
Die tijd viel ons niet lang
En doe dat was gedaan.
Toen gingen wij ons gang.


(Hier ontbreekt op dekrantvantoen.nl een pagina uit De Feanster. Daarom aangevuld met samenvatting uit het Nieuwsblad van Noordoost-Friesland.)

Vriend Arnoldus Fenema
Na het bezoek aan Amsterdam werd per jachtschuit naar Haarlem gekoerst. Onderweg zag men ‘zeer meenig heerlijk hof, aan’t water daar gelegen.’ In de Grote Kerk werden de jongemannen verrast door ‘een orgel wonder groot, wiens weerga dat men zegt, dat nergens wordt gehoort.’ Varend naar Aalsmeer werd opgemerkt:

Wij zagen ook al weer.
Daar buiten aan het Spaar
zeer meenig heerlijkheid
dat heel sieradig waar.

In Aalsmeer werd een vriend opgezocht – bekend heel geacht. Arnoldus Fenema. daar waren wij die nacht.’

Haarlemmermeer
Er moest vroeg opgestaan worden.

De ander morgens vroeg
Het was alom drie uur
Toen bragte Fenema ons
Na Kees Schout zijn buur.

Die heeft ons daar vandaan
Al met een kleine jagt
Over de Haarlemmermeer
Na Leiden toe gebracht.

Wij waren om vier uur
Al op die groote meer.
Het waaide al wat stijf
Het jagt ging op en neer.

Het was ook al wat koud
Wij wierden al wat nat
Maar hebben echter nog
Al geen verdriet gehad.

Toen men over de meer
Van Haarlem was gevaren
Doe zagen wij dat daar
Heel schoone landen waren.

(Het Haarlemmermeer is in 1853 gedempt).

In Leiden
Te Leiden was ook heel wat te aanschouwen. De burg werd beklommen, er moesten 140
schreden voor gemaakt worden.

Men vond daar op die burg
Het wonderst onder allen:
Een put die waar zoo diep
Daar lieten wij in vallen

Een steentje juist niet groot
Toen stonden wij versteld
Eer men het ploffen hoort
Hadden wij vijftien teld.

Na een fikse wandeling door de doolhof werd de ‘snijkamer’ met een bezoek vereerd.
Daar was ook heel wat te bekijken.

Wij zagen ook een Prins
Gebalzemd staan aldaar
En hadden dood geweest
Al meenig honderd jaar.

Daar waaren in een glas
Twee kinderkens van vooren
De buiken zaam gegroeit
En levendig geboren.

(Vanaf hier weer volledig)


Wij gingen daar van daan
Naar Leidens witte poort
En voeren om half elf
Toen met de jachtschuit voort.

Al na des Gravenhaag
Wij zagen tusken beiden
Dat daar ook overal
Hee[l] mooije landen leiden.

Daar waren ook zeer veel
Paleizen en lusthooven
Dat wie daar nooit niet komt,
Die zou het niet gelooven.

Wij zagen ook veel meer
Als wij voorheene dagten.
Van heerlijkheeden groot.
Met sengels ende gragten,

Met boomen hagen schoon,
Met beelden ende bloemen,
Zoo sierlijk dat men daar
Met reeden mag van roemen.

Wy kwamen om drie uur
Al in den Hage aan
En zijn toen met vermaak
De stad eens door gegaan.

Dewijl het kermis waar
Al op dien zelven dag.
Zoo dat men veele volk
Daar op die kermis zag.

Wij zijn toen eens gegaan
De kermis in het rond.
Al waar een groot getal,
Vankramen toen ook stond.

Met alle kostelijkheid
Zeer wonder opgetoogen
Ja wat een groot sieraat
Zag men daar al voor oogen.

Doe men de kermis had
Bezien tot ons genoegen,
Doe kwamen wij ons tot
De staten kamers voegen

Die hebben wij bezien.
Verscheiden in ’t getal.
Waarvan ik hier ook
Een weinig melden zal.

Wij kwamen in vertrek
Daar de Hollandse staten
In hunnen hoogsten raad
Te zaam vergaderd zaten.

En daarna hebben wij
Bezien de hooge zaal.
Daar zitten in de raad
De staten Generaal.

Die kamer was zeer groot
En sierlijk afgedaan.
Wij zagen daar ook een
Zeer lange tafel staan.

En veertien stoelen staan
Daarom die tafel heen.
Daar leggen kussens op
Van veertig gulden een.

En tot het eene end
Daar stond de Prins verheeven
Zijn koninglijkse stoel
Die hem was gegeven.

Daar zaten ook zeer veel
Juweelen en al aan vast
Hij hadde wierd gezeid
Wel duizend daalders kost.

Toen hebben wij beschout
De kamer zoo men zeit
Al van de looterij
Der Generaliteit.

Een man die kwam ons daar
Twee trompen aan te wijzen.
Daar was van elkens een
Met nummers en met prijzen.

Die worden omgedraait
Als ’t op een trekken gaat.
En tusschen beiden ook
Een grote tafel staat.

Met banken daar om heen
Daar zitten dan de heeren.
Die daar al in den Haag
De looterij regeeren.

Wij zagen kamers meer
Wiens pijlders ende muren
Dat afgeschildert zijn
Met allerlei vuguren.

Het duurd hier al te lang
Om ’t alles te beschrijven
Daar om zoo breek ik af
En laat het hierbij blijven.

Van daar zijn wij te zaam
Na het paleis gegaan.
Al waar ons Prins in woont
Dat zagen wij eens aan.

Van buiten scheen het schoon,
Het was een ruim vertoog.
Al in zijn omtrek groot.
Maar niet kragtdadig hoog.

En toen zoo hebben wij
Een herberg daar betragt,
Het zwart paardshoofd genaamt.
Daar waren wij die nacht.

Die hospesin die waar
Beleeft in al haar reeden
Het waar een weduwvrouw,
Haar man was overleeden.

Zij achte ons zeer hoog
Zij heet ons van mijn heeren.
Wij waren echter maar
In slegte boere kleeren.

Dat waar ons al wat nieuws.
Wij lachten in ons hert.
Dat men daar in den Haag
Zoo hoog verheeven werd.

Des morgens gingen wij
Al na het Prinzen plein
En zagen met vermaak
Aldaar die groote trein

Van al ’t malietsie volk
Die schooten toen aldaar
Zoodanig of het in
Den naarsten oorlog waar.

Zij wierden daar gesteld
Verscheiden in paturen
En kwamen dan zoo op
Malkander af te vuren

Dat gaf veel rook en damp
Zij schooten op het laast
T[e] zamen te gelijk
Dat bonsde zeer verbaast.

Wij zagen ook de Prins
Al bij dat Campelment
Daar voor ons oogen gaan.
Zoo lang als ’t was ten ent.

En toen zijn wij al na
De groote groenmerk gaan.
Daar zag men in een tent
Een groote osse staan.

Wiens weerga dat er nooit
In Holland was gevonden
Hij wierde zwaar geschat
Hier als twee duizend ponden.

Doe zijn wij van den Haag
Na Schevelingen treeden
Dat was een vlgerde weg
En wierde veel gereeden.

Dog het nieuwschierigst waar
Daar waren veele karen,
Al waar een hond of twee
Voor ingespannen waren.

Die liepen daar met heen
En waren afgeladen
Wij zagen veel met vis
En ook met huisgeraden.

Wij kwamen langs die weg
Tot aan de duinen gaan,
Die voor de Noorderzee
Daar al te zamen staan.

Wij klommen ook zeer hoog
Al op de duinen daar
Maar altijd kon men zien
Dat ergens hooger waar.

En doen zijn wij te zaam
Door Schevelingen gaan
Tot aan de Noorderzee
Daar zagen wij eens aan

De schepen zaten droog.
Het was toen lange tij
De menschen reeden daar
Al met de wagens bij

Dat hebben wij beschoud
En zijn toen daar van daan
Te zamen weer terug
Al naar den Haag gegaan

En daar van daan naar Delft
Dat was toen heel plaisierig
De koetzen reeden daar
Heel pragtig ende swierig.

Het ging daar op die weg
Zeer danig op een jagen
Wij waren heel verheugd
Dat wij het zoo aanzagen.

Die weg was ook gevloerd
Met klinkets op de kant.
Men hadde daar geen stof
Al van het ligte zand.

Wij zagen ook het land,
Dat daar lag schoon met gras.
Waar bij men konde zien.
Dat het heel vrugtbaar was.

Wij hebben onderweegs
Daar veel plaisier gehad
En kwamen om drie uur
Tot Delft al in die stad

E[n] zijn te zaam al na
De nieuwe kerk geloopen
Wij kwamen daar aan toe
De deuren stonden oopen.

Wij zijn daar in gegaan.
En stonden als verslagen
De kerk die waar zoo groot.
Dat wij verwonderd zagen.

Het was ook in die kerk
Heel pragtig overal.
[M]et wapens sierlijk schoon.
Zeer veel al in getal.

Daar kwam een man bij ons,
Die deede ons verklaren,
Dat daar al in die kerk
Vijfhonderd wapens waren.

Men zag ook in die kerk
Dat uitgehouwen leiden
Al in Halbastersteen
De mannen zoo zij zeiden

De eene dat waar Tromp,
Dien grooten admiraal,
De ander waar Piethein
De mannen die door staal

Al in hun levenstijd
Met glorie overladen
Al heb te weeg gebragt
Zeer groote heldendaden.

Zij lagen uit gehoud
Zoo net van lijf en leeden
Men konde rondom zien
De naden in hun kleeden

Ze hadden steevels aan.
Dat waar zoo naauw verbeelt,
Men konde zien waar dat
Hem ieder stek verdeelt.

Die kerk heb wij bezien
Wij hoefden niets te geven.
Men smeet wat in de bus,
Dat waar na elks beleven.

Niet veele tijd gehad.
Wij gingen uit de kerk
Te zamen door de stad.
Maar hebben daar te Delft

De Rotterdamsche poort
Zijn wij toen heen gegaan
En voeren met de snik
Om vier uur daar van daan.

Na Rotterdam de stad
Men zag de landen daar
Heel grazig ende schoon.
Dat zeer vermaaklijk waar.

Men zag ook onderweegs
Zeer meenig schoon paleis.
Gelijk men was gewoon.
Door Holland in ons reis.

En digt aan Rotterdam
Daar zag men aan de vaart
Veel houtzaagmoolens staan.
Zeer groot en heel vermaard.

Des avonds kwamen wij
Tot Rotterdam toen aan
En zijn te zamen langs
De hoge straat gegaan

Toen hebben wij bezien
De koorenbeurs heel groot
En daar van daan ging men
Al na de Oosterpoort

Wij gingen daar van daan
Na het posthuis aldaar
En vraagde of het kon
Dat men die nachts daar waar

Ja wel wierd ons gezeid
En meer bescheiden reden.
Ons dagt wij wouden ons
Doe nog eens wat vertreeden

En zijn te zaam gegaan
Al na het groote diep.
Te weeten die Revier.
Die in de stad daar liep.

Daar gingen wij bij langs
En zagen daar verscheiden
Drie maste scheepen groot.
Die in de stad daar leiden.

En toen zijn wij gegaan
En hebben ook beschoud
De timmerhellings groot.
Daar wierden toen gebouwd.

Getimmerd en gemaakt.
De scheepen groot en zwaar.
Men zag ze hooger staan
Dan als de huisen daar.

De timmerknechten daar.
Die kwamen juist van ’t werk
Daar was zoo veele volk.
Of ’t kwam al uit de kerk.

Wij kwamen ons toen weer
Naast posthuis toe te voegen.
Daar waren wij die nacht
En hadden groot genoegen.

Des morgens om zes uur
Ging men in de postwagen
Die daar van Rotterdam
Al na Tergou kwam jagen.

Wij zaten in de post
Ook op de beste steeden
En zagen onderweegs
Zeer veel vermaaklijkheden.

Voor buiten Rotterdam.
Daar zag men met behagen
Lusthoven weer zoo mooi
Als wij nog ergens zagen.

En verder onderweegs
De landen die men zag.
Waarvan het meeste deel
In groote polders lag.

Met dijken daar om heen
Van meening voeten hoog.
Die door de moolens daar
Gehouden worden droog

Die landen d[a]ar omtrent.
Zoo als het ons toescheen.
Die waren daar heel schoon
En vrugtbaar ongemeen.

Wij reeden langs die weg
Met vreugde ingenoomen
En zijn omtrent tien uur
Al tot Tergou gekomen.

Wij gingen uit die post
Al door de stad te zamen.
Zoo lang tot dat wij bij
De groote kerke kwamen.

Daar zijn wij in gegaan
En hebben die beschouwd.
De muren daar om heen
Die waren hoog gebouwd.

Men zag ook in de kerk
Zeer groote sierlijkheeden.
Waar van ik het voornaamst
Een weinig zal ontleeden.

Dat is dien grooten glans
Van ’t heerlijk schilderwerk.
Dat op die glazen is
Al van die groote kerk.

Die glazen z[i]jn beprent
Met veel verbeeldelingen.
Men ziet vertoonings daar
Van veelderhande dingen.

Met allerhande kleur
Zoo veel men kon bedinken
Het is een wonderstuk
Zoo als die glazen blinken.

Als men het deeg beziet.
Het oog dat zou verblinden.
Het is ook nergens meer
Ter wereld zoo te vinden.

Dat hebben wij bezien
En toen daar van daan
Te zamen om elf uur
Weer in de jagtschuit gaan.

Die daar al van Tergou
Na Amsterdam zou jagen.
Wij zagen onderweegs
De landen die daar lagen.

Die waren deurgaans vlak.
Het waren mooije greiden.
Wij zagen daar ook al
Veel schoone koeijen weiden.

De koeijen hadden ook
Deurgaans heel schoone jaren.
Maar ’t scheen of zij op haar
Juist niet heel keurig waren.

Wij voeren met die snik
Zoo ver tot dat men kwam
Bij een tolhuis aldaar
Ruim halfweg Amsterdam.

Toen gingen wij daar uit
En vraagden na de paden
Om na Aalsmeer te gaan.
Gelijk men was beraden.

Dat wierd ons wel berigt.
Men moest twee uren gaan.
Wij hadden goede moet
En gingen daar van daan.

Te zamen door het veld
En kwamen tot Bilham.
Daar men doe na het pad
Wat nader nog vernam.

Zij weesden ons aldaar
Een weg heel duidelijk aan.
Die liep na Aalsmeer toe
En die zijn wij gegaan.

Men vond daar onderweegs
Zeer veel vergraven gronden.
Maar bouwland hebben wij
Bijna geheel niet vonden.

Wij reisden langs die weg
En kwamen met malkaar
Des avonds tot Aalsmeer
Gelijk ons oogmerk waar.

Wij gingen weer te zaam
Bij Fenema aan huis.
Het waar ons of wij doe
Bijna al kwamen ’t huis.

Wij hebben ook dat dorp
Bezien en door gegaan.
De menschen hadden daar
Ten meesten haar bestaan

Met vischen en ook veel
Met planten en boomkweeken.
Dat was daar heel de fleur
Zoo ’t ons heeft toegekeken.

Wij gingen na een huis
Te praten hier en daar.
Ons dagt dat ook het volk
Niet heel hoofweerdig waar.

De huizen zag men daar
Deurgaans heel ligt gebouwd.
De gevels half met steen
En anders heel van hout.

Drie nachten zijn wij daar
Tot Aalsmeer al gebleeven.
Dewijl geleegenheid
Ons zoo kwam aan te geven

Toen lag die morgens vroeg
Aldaar een beurtschip ree.
Dat voer op Amsterdam
Daar dagten wij doe mee.

Wij dankten Fenema
Voor groote vriendlijkheeden
En zijn al om twee uur
Daar in de schuit getreeden.

En voeren daar van daan
Al met een goede wind.
Wij waren onderweegs
Vijf uur of zoo omtrent.

En zijn te zaam toen weer
Tot Amsterdam gekoomen.
Wij gingen door de stad
En hadden voor genoomen.

Als wij tot Amsterdam
Nog eerst een poosje waren.
Om aan die daags nog eens
Al naar Sardam te varen.

Ons oogmerk hebben wij
In dezen ook verkreegen
Wij gingen in een schuit
Zoo als men was geneegen.

En staken van de wal
Om na Sardam te varen.
Wij zagen al van ver
De molens die daar waren

Die maalden daar zeer veel.
De roeden door malkander.
Zoo dat men zeggen zou:
De een die slaat de ander.

Wij naderen al haast
Tot dat men overkwam.
Wij waren met een uur
Al in het dorp Sardam

Toen zag men van na bij
Die molens overal
Daar waren in dat dorp
Een overgroot getal

Van molens hoog en groot
Van allerlei fabrijken.
Dat kwam daar veel bedrijf
En neering te verstrijken.

Wij zijn een groot half uur
Al langs Sardam gegaan
Doe lieten wij ons daar
Halen over de Saan.

En kwamen tot Saandijk.
Dat daar voort neffen lag.
Het waar daar deftig mooi.
Zoo veel als men daar zag

Van straten paden zelfs
Al om de huisen heen.
De tuinen zag men ook
Zoo mooi dat ongemeen

Wij zijn daar aan die kant
Al niet heel lang gebleeven.
Maar kwamen ons al haast
Weer na de plaats begeven.

Daar wij van Amsterdam
Eerst aan gekomen waren.
Dewijl daar alle uur
Een schuit komt over varen.

Daar voer een schuit weer af.
Daar zijn wij in gegaan
En zeijelden zeer mooi
Op Amsterdam weer aan.

Men zag toen op de IJ
Ook al zeer veel vertier.
Wij waren heen en weer
Al in een uur of vier

En kwamen aan de wal
En zijn toen uit de schuit
Al door de stad gegaan
De straten op en uit.

En zagen met aandagt
Te zamen hier en daar.
Hoe dat er in die stad
Al veel vertiering waar.

Zoodoende kwam die dag
Al haast voor bij passeeren.
Wij waren toen van sens
Om weer na huis te keeren.

Zoo dat wij ons toen weer
Al in de veerman gaven.
Die daar van Amsterdam
Voer op de Lemster haven.

Des avonds om acht uur
Toen gingen wij passeeren.
Daar kwam ons op de zee
In ‘t minste niet te deeren.

Wij zeijelden zeer zacht
Over die brakke stroomen.
In zes en twintig uur
Zijn wij toen overkomen.

Wij gingen uit het schip
Toen ’t in de haven waar
Na een herberg zoo lang.
Al in de Lemmer daar.

Tot dat de pakschuit voer.
Daar zijn wij in gegaan
En zijn om middernacht
Gevaren daar van daan

Al met een goede wind
Gelijk ons deurgaans meest
In ’t varen van ons reis
Gelukkig zijn geweest

Wij kwamen al weer langs
Het zelfde water varen.
Daar wij de heene reis
Ook langs gekomen waren.

Zoo ver tot dat wij bij
De Kootstertille kwamen.
Toen stapten wij daar uit
En gingen toen te zamen

Al deur de Drogeham
Des avonds om zes uur
Toen kwamen wij te zaam
Al bij de Roode schuur.

Wij gingen toen na huis
En wierden welkom heeten.
Een veertien dagen tijd
Is met ons reis versleeten.

Ons ouders zij bedankt.
Haar goedheid zij gepreezen.
Dat zij ons heb vergunt
De vrijjigheid in deezen.

Maar wat betaamt ons meer
Als brave jongelingen
Dat wij aan God den Heer
Ook dankbaarheid toe bringen.

O Heer wij danken U
Voor uwe goedigheid.
Dat gij ons op de reis
Gelukkig hebt geleid.

Dat ook ons gunstig weer
Op reis al heeft verzeit
En dat geen druk of angst
Ons ergens heeft gekwelt.

Ook daar wij onbekend
Al in die vreemde steden
Dat wij niet zijn misleid
Door kwade menschenreeden.

Dat ons geen ongeval
Of ramp is overkomen.
Waardoor dat ons vermaak
in ’t minste wierd benoomen.

Dat wij niet zijn bezogt
Met ziekte pijn of smert.
Maar dat wij wel gezond
Geweest zijn in ons hert.

O Heer wilt verder ons
Toch ook gezondheid geven
En dat wij in U gunst
Voorzigtig mogen leven.

Op dat wij doen en laat
Het geen ons komt betamen.
Dit gun ons in mijn wens
Den Heere Jezus Amen.

Mijn cammeraat zijn naam
Te melden als hier dient
’t Is IJje Siemens neef,
Mijn neef en waarde vriend.

En ik zijn metgezel
Men naam die is aldus:
Ik die dit heb gemaakt.
Ben Hepke Egbertus.


Een reactie op het reisverhaal van een vriend

De Eerzame Hepke Egbertus op het zien van zijn gedigten, ofte Reis Poësij worden deze navolgende verzen opgedragen.

Met dat ik zag U sierlijk werk
Van U mijn vriend, in digt geschreven
Vond ik een tweeden Poot herleven
Wiens geest ik in U digten merk.

Laat toe dan Hepke Egbertus
Dat ook mijn musa hare minne
Doet weten aan U zang Godinne
En zoo haar Parna’s liefde blus.

Apollo Zoon O, Coridon
Gij raakt haast langs de steile trappen
Met kleine moeite weinig stappen
Op den verheven Helicon

Wilt dan in digt of Poëzij
Met vlijt en ijver werkzaam wezen
Op dat ik krijg wat meer te lezen
Daar voor ik U dan dankbaar zij

Hier zal mijn vers ten einde wezen
U vriend en dienaar noem ik mij

Augustinusga tusschen den 7 en 8 augustus 1784
J. v.d. Kooi Machs


 

Bronnen

Diverse artikelen in De Feanster, februari-april 1981 (via http://www.dekrantvantoen.nl), met OCR-programma omgezet in tekst. Ontbrekende pagina aangevuld o.b.v. een artikel in Nieuwsblad van Noordoost-Friesland (29 november 1974), gevonden in de knipselverzameling van wijlen Simon Nicolai uit Drogeham).

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Weblog en getagged met . Maak dit favoriet permalink.