Sterfhuisinventaris Simon IJes Luimstra (1815)

1 Algemene toelichting

Simon IJes Luimstra (1731-1815) was een welgestelde boer aan de Blauwhuisterweg in Surhuisterveen. Daar was op nummer 38 tot een jaar of tien geleden nog een gevelsteen uit 1787 te zien, met een rijmpje en de initialen van hem en zijn vrouw, Janke Gooitzens Luimstra. De laatste jaren van zijn leven woonde hij als rentenier met zijn vrouw in Augustinusga. De exacte plek is mij sinds kort bekend (hoek Geawei/Tsjerkepaad). Zijn vrouw overleed in 1810. Voor zover het om onroerend goed gaat, denk ik dat haar nalatenschap onverdeeld is gebleven. Omdat zij de enige erfgenaam van de ‘commies van ’s lands middelen’ Gooitzen Deddes Luimstra was, zal een deel van de in deze inventaris beschreven percelen van hem afkomstig zijn. Dat geldt in ieder geval voor zijn eigen huis, dat hij in 1743 had gekocht, en waar anno 1815 zijn kleindochter Ymkjen Simons Luimstra woonde. Zij koopt later in 1815 driekwart van drie naast elkaar staande huizen. Het meest noordelijke daarvan was het sterfhuis van Simon IJes Luimstra, waar de beschrijving van de inventaris plaatsvond. De laatste jaren van zijn leven werd hij rentenier genoemd.

2 De inventaris

Er waren drie zittingsdagen (9 t/m 11 februari 1815) en 52 pagina’s voor nodig om zijn inventaris te beschrijven. Vooral de vastigheden en waardepapieren zijn heel uitgebreid beschreven. In dit artikel heb ik alleen de beschrijving van zijn inboedel volledig uitgewerkt. Van de rest geef ik alleen een samenvatting weer.

Vastigheden

Van het onroerend goed wordt het grootste deel gebruikt door zijn erfgenamen. Ze zijn in vijf groepen beschreven:

  1. Gebruikt door IJe Simons Luimstra (boer, Surhuisterveen) – post 1 t/m 10 (waaronder boerderij met nummer 176 Surhuisterveen; dat is de boerderij met de gevelsteen)
  2. Gebruikt door Sytske Simons Luimstra en Popke Willems Zuidema (boer, Surhuisterveen) – post 11 t/m 20 (waaronder boerderij met nummer 174 Surhuisterveen; schuin tegenover nr. 176)
  3. Gebruikt door Ymkje Simons Luimstra en Gale Durks Zijlstra (vrederechter, Augustinusga) – post 21 t/m 33
  4. Gebruikt door Tjitske Jilles Tjoelker (Augustinusga, weduwe van Gooitzen Symens Luimstra, namens haar kinderen Gooitzen en Aafke) – post 34 t/m 48
  5. Gebruiker niet gespecificeerd (post 49 t/m 56).

Omdat sommige percelen blijkbaar gemeenschappelijk worden gebruikt, is er wel enige overlap tussen de groepen. De percelen zijn te vinden onder Surhuisterveen, Augustinusga, Surhuizum, Harkema Opeinde, Buitenpost, Lutjepost en Gerkesklooster. Het gaat om bouwland, greidland, mieden, leijen/ondergronden, petten, heidevelden en bosjes. De grootte wordt in verschillende eenheden weergegeven (lopenstallen, mad, pondematen). Er bestaan pas standaardmaten sinds 1813. Het is dus niet zeker dat bij de inventarisatie hier al rekening mee is gehouden. Met een flinke slag om de arm schat ik het totale areaal op circa 90 hectare. Verder was Simon IJes Luimstra voor een derde eigenaar van het geoctrooieerde veerschip van Surhuisterveen op Leeuwarden.

Veel van het genoemde onroerend goed is op HISGIS (gegevens oudste kadaster van circa 1823) terug te vinden bij zijn erfgenamen. Ik heb de indruk dat er in de tijd tussen de inventaris en de start van het kadaster wel de nodige grond is verkocht, omdat ik niet alle percelen aan erfgenamen kan koppelen op HISGIS. Dat geldt met name voor gronden tussen de Oude Vaart en de Lauwers (Friese Dijk).

Zie het Detailoverzicht vastigheden voor meer informatie.

Waardepapieren

De waardepapieren bestaan uit verschillende soorten schuldbekentenissen, waarvan een flink deel ver terug gaat in de tijd. Een kwart is ouder dan dertig jaar. Het oudste waardepapier is zelfs van 16 november 1758. Het is daarom denkbaar dat hij of zijn vrouw een deel van de schuldbekentenissen heeft geërfd. De schuldenaren woonden voornamelijk in Achtkarspelen en Tietjerksteradeel. De meest voorkomende woonplaatsen waren Surhuisterveen, Augustinusga, Oostermeer, Eestrum en Surhuizum.

Opvallend is dat er meestal niet wordt gesproken over afgeloste bedragen, maar alleen over betaalde rente. Die ligt tussen de 3 en 5 procent (4 procent komt het meest voor). Op basis van de genoemde kapitalen en rentepercentages schat ik dat Simon IJes Luimstra jaarlijks recht had op 1815 carolusguldens aan rente. Bij een kwart van de waardepapieren is sprake geweest van cessie. Dat betekent dat hij de vordering van iemand anders heeft overgenomen.

Een geval apart onder de schuldbekentenissen is de vermelding dat zijn dochter Ymkje en haar man Gale Durks Zijlstra een bedrag van 3.000 gulden met de rente schuldig zijn, aan de boedel, omdat ze drie huizen in Augustinusga hebben gekocht. Daar is echter geen schriftelijk bewijs van. Pas later dit jaar zullen ze via de notaris de overige erfgenamen uitkopen, voor driekwart van het genoemde bedrag.

Tenslotte heeft de erflater ook nog kapitaal uitstaan bij de provincie Friesland, in de vorm van ‘lands effecten’ en een lijfrente.

Zie het Detailoverzicht waardepapieren voor meer informatie.

Inboedel

De roerende goederen in huis en schuur worden aan het eind van dit artikel uitgebreid beschreven. De schuur bevat nog een paar sporen van het voormalige boerenleven van de erflater. Tussen alle spullen valt vooral een oud paard op, dat blijkbaar te weinig waard was om apart te benoemen. Het woonhuis was rijk voorzien van meubilair, stoffering en huishoudelijke artikelen. Er waren drie klokken. Ook worden drie zilveren lepels genoemd. Die hadden waarschijnlijk inscripties om een geboorte of huwelijk te memoreren. Tenslotte is er een pistool in huis. (Dat verraste mij niet, omdat Simon IJes Luimstra met zijn zoon IJe in 1797 na het Kollumer Oproer zes wapens inleverde.)

Contant geld

Het contante geld wordt gespecificeerd naar muntsoort: guldens, zesdehalven, dubbeltjes, een halve gouden rijder, een dubbele dukaat, een gouden scheepjesschelling. Bijna de helft van het geld wordt beheerd door schoonzoon Gale Durks Zijlstra.

Lijfdracht van de overledene

De lijfdracht bestond uit twee gouden horloges (90-0), twee paar zilveren gespen (15-11), enige zilveren knopen en twee haakjes (3-17), een paar gouden knopen (8-2), een gouden kroontje (8-10), 41 hemden (50-3) en “eenige kleederen van geen groot aan belang” (30-0).

Samenvatting bedragen

De volgende tabel geeft een samenvatting van alle bedragen (excl. onroerend goed).

Omschrijving Guldens Stuivers Penningen
A Profijtelijke staat
Vastigheden (56 posten) p.m.
Profijtelijke effecten en te goede zijnde penningen (85 posten) 49.350 11
Lands effecten 7.100
Meubelen, etc. 564 1
Leggend geld 1.522 13 8
Gehele profijtelijke staat, buiten de vastigheden 58.537 5 8
Lijfdracht van de overledene 206
B Schadelijke staat
Schuld aan Meinte Klazes Luimstra te Kortwoude[1] 3.300
In 1812 onder erfgenamen verdeeld zilverwerk (700) en linnen (200) 900

[1] Meinte Klazes Luimstra was molenopzichter en woonde de laatste jaren van zijn leven op Kortwoude. Hij was een zoon van Klaas Deddes, een broer van commies Gooitzen Deddes Luimstra, en dus een volle neef van Janke Gooitzens Luimstra.

Oorspronkelijk (vóór het verdelen van zilverwerk en linnen) waren de bezittingen van Simon IJes Luimstra, exclusief huizen en land, dus fl. 56.343 waard (58.537 + 206 – 3300 + 900). Volgens een webpagina van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis had fl. 56 343.00 in het jaar 1815 een ‘koopkracht’ van fl. 900.233 (€ 408.508) in het jaar 2013.

3 Details van de inboedel

Boedelbeschrijving

Omschrijving Guldens Stuivers
Een boerenwagen 50
Een phaëton 30
Een aardkar en oude keth 10
Een linnenrek en eenig gereedschap 5
Een tobbe, vier emmers, boteraard, en hoonblok 6
Een tang, asschop, ketting, en vuurhaardje 3
Een koperen emmer, een korf, een tobbe, en joek 4
Een resje baggelaar 10
Een kiste 4
Een Poolsche of narrensleed 3
Eenige stoelen 2 10
Twee kisten, en een slaapbank 19 10
Een pulpitum 5
Een doofketel 17
Een eken kast met stel 30
Een pulpitum 7
Negentien blauwe pannen en twaalf koppen 12 5
Een schoorsteenkleed, en eenige glazen 4
De spiegel 14
Ses trompen, twee blaatjes en eenige schilderijen 5 10
Twee koperen emmers en een pantje 19 10
Twee laadtafels en twee ronde tafels 9
Een pistool en koperen stoof 2 10
Een bedstoof en vijf houten stoven 5 10
Een koffijkan etc. 1 10
Een linnenpars, en huisbijbel 3 10
Vier ketels en een lugtter 9
Een resje steengoed, en twee yseren potten 5 10
Twee koperen akers, en een ketel 12
Een mangelbord, en eenig romlerij 3
Vijftien tinnen pannen, vijf mingels en eenig kleingoed 25
Twintig steenen pannen, vijf thebossen, vier trekpotten, en eenig thegoed 8
Eenige boeken, waar onder een kerkboek met haken 12
Vier bedden met peulen, kussens, dekens 100
Seventien lakens, agtien peuldoeken en slopen 40
Twee paar beds en glas gordijnen 14
Drie klokken 32
Drie zilveren lepels oude keur zwaar vier en een half lood 5 2
Een gouden medailje, zwaar agt engels oude keur 15 4
Totaal 564 1

Toelichting begrippen

Aker = emmer (soms in de specifieke betekenis dat er water mee uit een put werd gehaald).

Baggelaar = turf (op een bepaalde manier gewonnen)

Boteraard = (alleen gevonden als straatnaam in België; komt wel vaker voor in Friese(!) kranten uit de 19e eeuw; kan dus een frisisme zijn; ik zag ook ‘boteraad’)

Doofketel = wel genoemd in AWNL als ketel voor huishoudelijk gebruik, maar zonder duidelijke omschrijving; ik zie het woord ook in krantenberichten over bakkerij-inboedels; ik vermoed echter dat het hier om een doofpot gaat, waarin voor de nacht de gloeiende kolen uit de kachel werden opgeborgen, om brand te voorkomen of om brandstof te besparen)

Engels = oude munt en gewichtseenheid gebruikt bij bepaalde edelmetalen (in Amsterdam destijds 1,544 gram)

Hoonblok = mogelijk hoonsteen (gebruikt bij honen, een soort slijpen in de metaalbewerking)

Joek = juk

Keth = waarschijnlijk wordt ‘kedde’ bedoeld, een klein soort paard (Nederlands: hit)

Lood = Een lood was ongeveer 15 gram maar na de invoering van het Nederlands metriek stelsel in 1816 werd de aanduiding ‘Nederlands lood’ gebruikt voor 10 gram, tot de afschaffing van dit stelsel in 1870. (Wikipedia)

Mangelbord = onderdeel van mangel (was gedroogd tussen twee draaiende rollen)

Narrenslee = oorspronkelijke benaming voor arrenslee (werd zo genoemd vanwege de belletjes aan het paardentuig; anders hoorde je de slee niet aankomen)

Pannen = Friese benaming voor borden

Peul = kussen (peluw)

Phaëton = licht vierwielig rijtuig (http://www.bokt.nl/wiki/Pha%C3%ABton)

Pulpitum = schrijfbureau of lessenaar

Stel = waarschijnlijk een stel pronkvazen (worden in het Fries ook wel ‘stelten’ genoemd)

Trompen = Fries voor trommels

Bron

Tresoar, notarieel archief, toegang 26, inventaris 24006, repertoire 31, d.d. 9 februari 1815 (notaris Jan Romein).

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Weblog en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.