Oebele Andries van Dijk en de Russische veldtocht (1812)

Op 24 februari 1812 moet Oebele Andries van Dijk zich in Leeuwarden melden voor actieve militaire dienst. De verzamelplaats is op het Tournooiveld achter De Doelen. Hij is een boerenzoon, geboren op 23 maart 1790 te Oostermeer (en dan dus 22 jaar oud). Zijn ouders, Andries Atzes van Dijk en Hylkjen Hepkes, wonen dan op het Witveen. Hun boerderij stond op de hoek van de Seadwei en de Mûntsegroppe (huidig adres: Seadwei 27, Oostermeer). Later woonden ze in Rottevalle. Als Nederland in 1811 bij Frankrijk wordt ingelijfd, wordt ook de dienstplicht ingevoerd. Wie in dienst moest, wordt bepaald door loting. Oebele behoort tot de lichting 1810. Hij wordt ingeloot, met lotnummer 24. Voor hem loopt het niet goed af. Hij komt namelijk voor op lijsten van vermisten die na afloop van de desastreus verlopen Russische veldtocht zijn opgesteld. In dit artikel probeer ik te achterhalen wat er met hem kan zijn gebeurd.

lc_1843-08-04-vonnis-doodverklaring-oebele-andries-van-dijk-verkleind

Leeuwarder Courant, 4-8-1843 (via Delpher)

Friese militairen 1795-1815

De heer J.A. Paasman (inmiddels overleden) heeft gegevens over vermiste Friese militairen verzameld en aangevuld met andere informatie. De resultaten zijn te doorzoeken op www.allefriezen.nl en worden toegelicht op de Tresoar-website. Over Oebele Andries van Dijk wordt vermeldt  dat hij op 14 juni 1812 is ingedeeld bij het 33e Regiment Lichte Infanterie (jagers), onder nr. 4899. Hij behoorde tot de 2e compagnie van het 5e bataljon. De genoemde datum wekt de indruk dat hij pas later bij het genoemde onderdeel is gekomen. Ik denk inmiddels dat dat niet zo was en dat hij vanaf het begin bij hetzelfde onderdeel heeft gediend. Hier moet sprake zijn geweest van achterstallige administratie. Dat kon ik vaststellen door analyse van een grote groep vermeldingen van vermiste Friese militairen, in combinatie met gegevens uit een databank over Nederlandse militairen in het leger van Napoleon. De originele inschrijving in het stamboek had ik toen nog niet kunnen raadplegen.

Nadat de Franse bezetting is afgelopen, houdt de provinciale overheid een inventarisatie van vermiste militairen. Volgens de gegevens van Paasman wordt Oebele Andries van Dijk zowel eind 1814 als in april 1815 als vermist opgegeven. Zijn laatste bericht was van 6 september 1812. Hij werd in Rusland krijgsgevangen gemaakt. Verondersteld wordt dat hij niet is teruggekeerd. Ondanks zijn vermissing komt hij voor in het inschrijvingsregister voor de Nationale Militie uit 1815.

Door een grote groep vermeldingen van vermiste Friese militairen te analyseren (datum en plaats laatste bericht), kreeg ik een beeld van de route die Oebele met zijn onderdeel globaal heeft afgelegd en het tijdschema dat daarbij hoort. Daardoor kon ik ook bepalen waar zijn laatste bericht vandaan moet zijn gekomen. Daarnaast heb ik veel literatuur over zijn regiment bestudeerd, om te achterhalen waar hij in Rusland kan zijn geweest. Tenslotte ga ik in op wat er in Friesland na zijn vermissing gebeurt.

Van Leeuwarden naar Givet

Het hoofdkwartier van het 33e Regiment Lichte Infanterie is gevestigd in Givet, in het uiterste noorden van Frankrijk, tegen de Belgische grens. Nadat Oebele zich op 24 februari 1812 in Leeuwarden heeft gemeld, moet hij met zijn groep recruten vrijwel meteen naar Noord-Frankrijk zijn vertrokken. Welke route ze hebben genomen, is mij niet bekend. De route Leeuwarden-Givet zou nu lopend ruim 400 kilometer zijn. Op basis van vuistregels over dagmarsen uit een militair woordenboek uit 1861, zou die afstand normaal gesproken 21-22 dagen kosten. Met enkele zwaardere dagen ertussen kan het ook in 18-19 dagen als de mannen nog voldoende fit zijn. De vroegste vermelding vanuit Givet, op basis van de laatste brieven vanuit zijn bataljon, is 14 maart 1812. Dat is dus 19 dagen later (rekening houdend met het schrikkeljaar). De nieuwe recruten waren toen volgens mijn berekeningen nog maar net aangekomen.

Van Givet naar Koningsbergen

Herkomst en datum van de laatste brieven van de vermiste militairen uit het 5e bataljon leveren globaal de volgende route op: Givet, Keulen, Münster, Maagdenburg, Berlijn, Stettin, Koningsbergen. De laatste twee plaatsen waren toen Duits. Nu liggen ze in Polen (Szczecin) en Rusland (Kaliningrad). Deze route liep nog niet door vijandelijk gebied. Pruisen was op dat moment nog een bondgenoot van Frankrijk.

Als je Google Maps een looproute langs deze punten laat bepalen, dan is die 1.400 km lang. De werkelijk afgelegde afstand was waarschijnlijk langer, omdat de tocht vermoedelijk vooral over hoofdwegen en via garnizoensplaatsen liep. Daarom komt 1.500 km dichter in de buurt.

route-33e-regiment-1812-deel-1

Route op basis van herkomst laatste brieven uit het 5e bataljon

Uit het brievenspoor is ook een grof tijdschema af te leiden. Op basis van de vroegste brief vanuit Keulen (5 mei 1812), schat ik het vertek vanuit Givet op 24-26 april 1812. Later vond ik een bericht in de Leeuwarder Courant over een vermiste soldaat die op 25 april 1812 vanuit Givet schrijft dat ze naar Pruisisch Polen vertrekken. De recruten zijn dus hooguit vijf weken in de kazerne gebleven. De meeste brieven vanuit Koningsbergen zijn geschreven in augustus en september. De laatste brief van Oebele Andries van Dijk is van 6 september 1812. Daarom denk dat hij die vanuit Koningsbergen heeft geschreven. Daar houdt het brievenspoor vanuit het 5e bataljon ook op.

Een artikel van Joost Welten in Gens Nostra (2015 nr. 5/6, p. 198-204) levert enkele interessante aanvullingen op. Hij beschrijft de militaire loopbaan van John Irish Stephenson, die als eerste luitenant diende bij het 33e Regiment Lichte Infanterie. Hij wordt in december 1811 vanuit Stettin teruggestuurd naar Givet, om een nieuwe groep dienstplichtigen op te halen. Op 16 januari 1812 arriveert hij daar. Op 20 april 1812 vertrekt hij met 575 dienstplichtigen naar Koningsbergen. Daar komen ze aan op 6 augustus 1812 (dus na 3,5 maand). Een kleine vijfig man zijn onderweg achtergebleven. Vanwege ziekte moet hij achterblijven als zijn detachement Rusland binnentrekt. Hij vertrekt pas op 30 oktober naar Rusland met een ander onderdeel. Helaas meldt het artikel niet hoe het verder gaat met het bataljon van Oebele Andries van Dijk.

Van Koningsbergen naar Rusland

Het 5e bataljon waartoe Oebele behoorde was een opleidingsbataljon (depotbataljon). De bedoeling was om de leden van dit bataljon later te in te delen bij een van de vier veldbataljons waaruit het 33e Regiment Lichte Infanterie bestond. Ik heb heel veel informatie over die vier bataljons, waaronder een uitgebreid ooggetuigenverslag. In eerste instantie wist ik niet of die aansluiting bij de rest van het regiment ook werkelijk heeft plaatsgevonden en wanneer en waar dat dan is gebeurd. Voor het relaas over de lotgevallen van Oebele Andries van Dijk maakt dat veel verschil. Gezien de vanuit Koningsbergen verstuurde brieven, is het 5e bataljon niet meteen doorgegaan naar Rusland. Ik vermoed dat het eerst minstens een maand in Koningsbergen is gebleven. Pas later kreeg ik iets meer duidelijkheid over wat er daarna met Oeble Andries van Dijk is gebeurd. Maar eerst ga ik in op de juridische nasleep van zijn vermissing.

route-33e-regiment-1812-deel-2

Identificeerbare plaatsen in uit de herinneringen van Majoor Everts (tot de slag bij Krasnoi)

Juridische nasleep van de vermissing

Slechts een fractie van de in 1814/1815 als vermist opgegeven soldaten komt later toch nog terug. Dat geldt niet voor Oebele Andries van Dijk. Toch worden er pas in 1842 stappen gezet om hem juridisch dood te laten verklaren. Zolang dat nog niet was gebeurd, kon dat  problemen opleveren met o.a. de verdeling van erfenissen. De moeder van Oebele overlijdt in 1838. Kort daarna wordt een boelgoed gehouden. De vader van Oebele leeft dan nog. Omdat zijn ouders allebei een testament hebben laten opmaken, zal zijn vader wel het vruchtgebruik van het onroerend goed hebben gekregen en hoefde er nog niets te worden verdeeld.

Waarom schakelden de nabestaanden nu pas de rechtbank in? Volgens het Wetboek Napoleon, ingerigt voor het Koningrijk Holland (geldend vanaf 1809), kon pas sprake zijn van een vermoeden van overlijden na 20 jaar afwezigheid. In het Burgerlijk Wetboek (geldend vanaf 1838) werd dat 5 jaar.

Twee krantenberichten en een notariële akte hebben te maken met de doodverklaring van Oebele Atzes van Dijk. Het gaat om een dagvaarding, een attest en het vonnis.

Leeuwarder Courant 6-5-1842

In den jare achttien honderd twee en veertig, den tweeden Mei, heb ik JOCHEM OBBES TERGUIN, Eerste Deurwaarder bij de Arrondissements Regtbank te Leeuwarden, wonende aldaar, ter instantie van Andries Atzes van Dijk, Rentenier, wonende te Rottevalle, constituerende tot zijnen Procureur Mr. C. C. C. WARMOLTS, Procureur bij het Provinciaal Geregtshof Van Vriesland en Arrondissements Regtbank in Leeuwarden, aldaar woonachtig.

Uit kracht van het Verlof, verleend bij Vonnis door de Arrondissements Regtbank te Leeuwarden, gewezen den negentienden April achttien honderd twee en veertig, behoorlijk geregistreerd.

GEDAGVAARD

OEBELE ANDRIES van DIJK, laatst woonachtig geweest op het Witveen onder Oostermeer, doch thans meer dan vijf jaren zonder eenig berigt van zijne woonplaats verwijderd en zonder order op het beheer zijner zaken te hebben gesteld of eenen Gelastigde te hebben achtergelaten, om na een termijn van drie maanden en wel op Dingsdag den zesden September achttien honderd twee en veertig, des voormiddags ten tien ure te compareren voor de Arrondissements Regtbank te Leeuwarden, ter gewoner plaats van deszelfs Teregtzittingen in het Locaal van het provisioneel Paleis van Justitie, staande op de Wisjedwinger aldaar, ten einde in persoon of door iemand zijnentwege van zijn aanwezen te doen geblijken, bij gebreke waarvan verder door mijnen Requirant zal worden voortgeprocedeerd, ten einde door de Regtbank zal worden verklaard, dat er regtsvermoeden van het overlijden van Gedaagde bestaat.

Afschrift van deze Dagvaarding, welke ingevolge voorschreven Vonnis, mede in het Algemeen Handelsblad en Leeuwarder Courant zal worden geplaatst, heb ik aangeplakt aan de voorname Deur van de Vergaderplaats van de Arrondissements Regtbank te Leeuwarden, en aan het Huis der Gemeente van de Grietenij Tietjerksteradeel te Bergum, en heb ik mede Afschrift dezes gelaten aan den Heer Officier bij voornoemde Regtbank, die het oorspronkelijke met gezien heeft geteekend.

De Kosten dezes zijn acht Gulden negen en vijftig een tweede Cents.

(get.) J. O. TERGUIN.

Gezien bij mij Officier van Justitie te Leeuwarden.
(get.) A. IJ P E IJ.

Geregistreerd te Leeuwarden, den tweeden Mei achttien honderd twee en veertig, houdende een blad zonder renvooi, deel vijf en twintig, folio honderd zes en zestig, verso vak twee. Ontvangen tachtig Cents voor regt met Opcenten een Gulden tien een tweede Cents.
(get.) ALBARDA.

(…)

In de jaren veertig van de negentiende eeuw verschenen veel van dit soort berichten in de krant. Vaak werd dan een datum genoemd (van vertrek en/of laatste brief). Dat is hier niet het geval.

1843 Drachten, notaris K.J. van der Veen
Gemeente: Smallingerland
Akte van bekendheid, akte niet aanwezig
– Oebele Andries van Dijk; betreft attest omtrent zijn afwezigheid; eertijds te
Oostermeer
– Halbe Rommerts Kats te Rottevalle, attestant
– Lieuwe Lieuwes van der Lei te Rottevalle, attestant
– Hendrik Jans Papa te Rottevalle, attestant

Bron         : Tresoar
Toegangsnr.  : 26
Inventarisnr.: 32050
Repertoirenr.: 4882 d.d. 21 juni 1843

De attestanten zijn een zwager van de vermiste en buurmannen van zijn ouders.

Leeuwarder Courant 4-8-1843

Bij Vonnis door de Arrondissements Regtbank te Leeuwarden, gewezen den 27 Junij 1843, behoorlijk op de expeditie geregistreerd, is verklaard dat er regtsvermoedens bestaan van het overlijden van OEBELE ANDRIES van DIJK, laatst woonachtig geweest op het Witveen onder Oostermeer, en wel sedert den 17 November 1812. Waarvan overeenkomstig bevel van voornoemde Regtbank en naar aanleiding van art. 527 van het Burgerlijk Wetboek, deze openlijke bekendmaking wordt gedaan. Voor Extract Vonnis conform, Mr. C. C. C. WARMOLTS, Procureur.

Opvallend is dat hier niet de datum van de laatste brief wordt genoemd (6 september 1812), maar een latere datum. In alle andere berichten over vermisten die ik heb gezien is de datum vanaf wanneer het rechtsvermoeden van overlijden geldt, steeds de laatste datum dat de persoon in kwestie zeker nog in leven was. Als ik die gedachtengang toepas op de datum bij Oebele Andries van Dijk, dan ging de rechtbank ervan uit dat hij op 17 november 1812 nog leefde. Dat past wel bij de vermelding op tresoar.nl dat hij in Rusland krijgsgevangene gemaakt is. Het viel me meteen op dat dit de datum van de Slag bij Krasnoi was. Op die dag werd het 33e Regiment Lichte Infanterie vernietigend verslagen door het Russische leger.

Hoe kwam de rechtbank op deze datum? Was er informatie van het Franse leger over Oebele beschikbaar? Waren er concrete getuigenissen van teruggekeerde lotgenoten uit hetzelfde regiment? Of heeft de rechtbank een algemeen feit over het regiment toegepast op een indivuele soldaat? Mogelijk geeft de motivering van het vonnis hierover uitsluitsel.

Een interessante vraag vind ik wat de familie thuis kon weten over de vermiste Oebele. Ik heb daarom bekeken of er in de nabije omgeving van Oostermeer mannen zijn geweest die bij het 33e Regiment Lichte Infanterie hebben gediend en die zijn teruggekeerd. Daarvoor heb ik in de database op archieven.nl 27 personen uit Oostermeer en ruime omgeving bekeken. Sommige daarvan komen niet voor in de gegevens van Paasman. Ik heb maar twee personen overgehouden die op enig moment ingeschreven stonden bij het 33e Regiment Lichte Infanterie en waarvan ik na 1812 levenstekens heb gevonden, zoals bijv. een huwelijksakte of een overlijdensakte.

De eerste was Bote Jitzes Kalkbeek (geb. 08-10-1790 te Bergum, stamboeknummer 4918). Hij kwam in ieder geval terug, maar ging snel daarna in Leeuwarden wonen (1814), waar hij in 1840 overleed. Hij leefde dus niet meer toen de rechtbank zich boog over het rechtsvermoeden van overlijden van Oebele Andries van Dijk. De tweede was Douwe Jans de Vries (geb. 10-01-1790 te Buitenpost, stamboeknummer 4901). Hij woonde bij huwelijk (1827) en overlijden (1847) in Surhuisterveen (gem. Achtkarspelen). Nu is het natuurlijk de vraag of deze mannen aanwezig zijn geweest bij de Slag bij Krasnoi. Of zijn ze misschien helemaal niet in Rusland geweest? Alleen het militaire stamboek kan hier uitsluitsel over geven.

Van Smolensk naar Dorogobusch en terug

Via Joost Welten kwam ik in contact met Evert Jan Rieksen. Hij bereidt een proefschrift voor over het 33e Regiment Lichte Infanterie en kon me iets meer vertellen over Oebele Andries van Dijk en het 5e bataljon. Hij baseert zich daarbij op  het standaardwerk van F.H.A. Sabron (Geschiedenis van het 33e regiment lichte infanterie, uit 1910) en het militaire stamboek van het 33e Regiment Lichte Infanterie.

De manschappen van het 5e bataljon zijn volgens Rieksen nog vóór de Slag bij Krasnoi toegevoegd aan de rest van het regiment. Oebele komt bij het 4e bataljon. De manschappen van dat bataljon worden half oktober 1812 bij het 1e bataljon ondergebracht. De officieren van het 4e bataljon moeten terug naar Givet om nieuwe recruten op te halen. Het regiment is op dat moment opgesplitst in twee delen. Het eerste deel, waartoe Oebele behoort, bevindt zich in Smolensk (zie de kaart hierboven). Het tweede deel (2e en 3e bataljon) is vanuit Moskou op de terugtocht in de richting van Smolensk. Het eerste deel vertrekt half oktober naar het oosten, onder leiding van generaal Evers. Ze komen tot Dorogobusch, maar keren op 24 oktober terug naar Smolensk om de keizerlijke schatkist te begeleiden. Op 1 november zijn ze weer in Dorogobusch, waar een voedselvoorraad voor enkele dagen wordt aangelegd. Op 7 november arriveerden daar de overige twee veldbataljons.

Na enkele dagen vertrekken de drie bataljons samen naar Smolensk, waar ze op 13 november arriveren. Omdat het extreem koud is, vriezen tientallen soldaten dood. Over het aantal manschappen dat het regiment dan nog over heeft verschillen de meningen. Volgens Rieksen waren er door de enorme sterfte hooguit 500 over.

De Slag bij Krasnoi

Oebele Andries van Dijk overleeft niet alleen de kou, maar ook de Slag bij Krasnoi op 17 november 1812. Het 33e Regiment Lichte Infanterie vormt dan de achterhoede van de terugtrekkende Grande Armée en krijgt het zwaar te verduren door de aanvallen van het Russische leger. Op die dag sneuvelen erg veel manschappen en officieren. Het regiment heeft zich echter hevig tegen de aanvallen verzet. Later verwijt een Russische generaal majoor Everts dat ze zich als Nederlanders zo fanatiek hebben verdedigd en zoveel Russen hebben gedood. Oebele wordt volgens het militaire stamboek na deze slag krijgsgevangen gemaakt. Dat klopt met de datum die de rechtbank noemt in het vonnis over het rechtsvermoeden van zijn overlijden. Hoe het hem daarna persoonlijk is vergaan is niet bekend.

Krijgsgevangenschap

De krijgsgevangenen moeten te voet een lange tocht door Rusland maken. Velen sterven onderweg door kou, honger of uitputting, of worden door de Russen gedood als ze vanwege bevroren lichaamsdelen niet meer mee kunnen komen. Ook sterft een groot deel van de gewone soldaten door een besmettelijke ziekte. Ik heb de route op basis van de herinneringen van majoor Everts gedeeltelijk kunnen reconstrueren. Vanuit Smolensk gaan ze in zuidelijke richting, via Roslavl naar Mhlin, waar ze van 21 december 1812 tot juni 1813 verblijven. Die plaats komt mogelijk overeen met Mglin in de regio Brjansk. Dat zou kunnen, omdat majoor Everts het heeft over een mars van 300 werst (circa 320 km), vanaf de plek waar ze gevangen zijn genomen. Zijn topografische verwijzingen zijn echter verwarrend. Daarna komen ze o.a. in Kursk, Voronez en Tambov (alle drie 400-500 km ten zuiden van Moskou). De kans is zeer groot dat Oebele Andries van Dijk maar een klein deel van deze tocht heeft meegemaakt. Rieksen noemt nog wel twee andere opties. Gevangen genomen soldaten werden onder druk gezet om dienst te nemen bij het Russisch-Duitse Legioen. Verder is een kleine groep overlevende Nederlanders in Rusland blijven wonen. Het is dus niet honderd procent zeker dat Oebele Andries van Dijk op deze tocht als krijgsgevangene is gestorven, maar wel zeer waarschijnlijk.

Inschrijving in stamboek

Van Evert Jan Rieksen ontving ik ook een afbeelding van de inschrijving van Oebele Andries van Dijk in het stamboek van het 33e Regiment Lichte Infanterie (nr. 4899). Hij was arbeider van beroep en woonde in Oostermeer. Zijn ouders, geboortedatum en geboorteplaats worden genoemd (allemaal bekende gegevens). Zoals ik al had verwacht, zat hij vanaf het begin bij dit regiment. Als aankomst wordt vermeld 16 maart 1812. De datum vermeld op allefriezen.nl klopt dus niet. Hij was ingedeeld bij het 5e bataljon (2e compagnie) en het 4e bataljon (5e compagnie). In 1812 maakte hij deel uit van de Grande Armée. Op 20 november 1812 was hij krijgsgevangene te Smolensk. Het stamboek geeft ook een signalement van hem. Hij was 1,68 meter lang (voor die tijd vrij normaal). Gezicht ovaal, voorhoofd hoog, ogen blauw, neus en mond klein, haar en wenkbrauwen kastanjebruin. Hij had ook een opvallend kenmerk, maar wat dat was kon ik helaas maar gedeeltelijk lezen. Op 9 augustus 1833 is een uittreksel uit het stamboek over hem aangevraagd. Er staat niet bij door wie. Zijn er misschien al eerder pogingen gedaan om Oebele juridisch dood te laten verklaren?

inschrijving-stamboek-voor-website

Inschrijving Oebele Andries van Dijk in stamboek 33e Regiment Lichte Infanterie

Buurjongen ontmoet in Rusland?

Bij het 4e bataljon zat ook een buurjongen van Oebele Andries van Dijk, Jelle Johannes van der Meer. Hij was net als Oebele een zoon van voorouders van mij. Zijn ouders,  Johannes Luitsens van der Meer en Berber Geerts, woonden aan de Mûntsegroppe (huidig  adres: Mûntsegroppe 14, Boelenslaan). Jelle was van een oudere lichting dan Oebele en kwam al in 1811 bij het 33e Regiment Lichte Infanterie. Hij zat bovendien bij een andere compagnie dan Oebele. Volgens wijlen J.A. Paasman is hij in 1812 achtergebleven tijdens de Russische veldtocht. Omdat Oebele pas laat bij het 4e bataljon is gekomen, is het de vraag of ze elkaar in Rusland hebben ontmoet.

Meer informatie

Veel van de voor dit artikel gebruikte bronnen zijn al genoemd in de tekst. Als aanvulling noem ik hier alleen nog enkele bronnen over het 33e Regiment Lichte Infanterie.

M.E. Jordens, Campagne et captivité de Russie (1812-1813). Extraits des mémoires inédits du général-major H.P. Everts, in: Carnet de la Sabretache (1901) 620-638 en 686-703; (1902), 43-62.
(In deze drie artikelen zijn de herinneringen van majoor Everts uitgewerkt. De artikelen zijn te downloaden op http://gallica.bnf.fr/ark:/12148/cb34449073t/date. Geïnteresseerden kunnen bij mij via het contactformulier PDF’s met alleen de drie artikelen opvragen. Van het eerste artikel heb ik (deels) met behulp van OCR een transcriptie gemaakt. Ook die is op te vragen. Verder is op Internet een gedeeltelijke transcriptie te vinden, gemaakt door Pierre Graux, beginnend met de Slag bij Krasnoi (http://grauxenealogie.free.fr/Recit4.htm).

De story of kolonel De Jongh (http://home.scarlet.be/~tsh40803/8/8stJongh.html).
(Beknopte samenvatting van de lotgevallen van het 33e Regiment Lichte Infanterie o.b.v. Sabron.)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Weblog en getagged met . Maak dit favoriet permalink.